ECLI:NL:CRVB:2012:BV3126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzonder geval Wajong-uitkering per 4 april 2007
Appellant, geboren in 1986, vroeg een Wajong-uitkering aan. Het UWV kende deze toe met ingang van 4 april 2007, een jaar voor de aanvraag, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV stelde dat er geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het bezwaarbesluit van het UWV wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. De rechtbank vond op basis van de beschikbare medische informatie geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het UWV dat appellant niet eerder aanspraak kon maken op de uitkering. Appellant bracht geen medische gegevens in die aannemelijk maakten dat hij bij het bereiken van zijn achttiende jaar niet in staat was een aanvraag in te dienen vanwege gebrek aan inzicht in zijn aandoening.
Appellant ging in hoger beroep tegen het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand liet. De Centrale Raad van Beroep stelde zich achter de overwegingen van de rechtbank en vond dat appellant geen nieuwe gezichtspunten had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 februari 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet eerder dan 4 april 2007 recht heeft op een Wajong-uitkering wegens het ontbreken van een bijzonder geval.