ECLI:NL:CRVB:2012:BV3135

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2810 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien van 80-100% naar 25-35% arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. In hoger beroep betwist appellant de geschiktheid voor de aan hem toegewezen functies, ondanks onbetwiste medische beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen geschikt is voor de functies die ten grondslag liggen aan de herziening. De Raad heeft geen aanwijzingen gevonden dat deze functies ongeschikt zijn voor appellant. De argumenten van appellant in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van eerdere standpunten zonder nieuwe feiten of inzichten.

Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 februari 2012.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

11/2810 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te Italië (appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2011, 09/4958 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 8 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is door mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012. Namens appellant is verschenen mr. de Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende.
1.2. Bij besluit van 12 september 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk berekend werd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 oktober 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 28 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 september 2007 ongegrond verklaard. Deze beslissing berust op het standpunt dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen, vastgelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 januari 2008, per 15 oktober 2007 geschikt is te achten tot het verrichten van werkzaamheden in passende functies.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd dat in de geduide functies geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid van appellant en dat deze functies voor hem passend zijn.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Het hoger beroep van appellant is beperkt tot de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. De juistheid van de vaststelling van de medische beperkingen, neergelegd in de FML van 23 januari 2008, is tussen partijen niet in geschil. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is de werkzaamheden te verrichten in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
3.2. De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft geheel de uitvoerige overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad heeft in de beschrijving van de werkzaamheden verbonden aan de geduide functies en in de belasting in die functies geen aanwijzingen gevonden voor de conclusie dat de functies, gelet op de specifieke voor appellant geldende beperkingen, ongeschikt zijn voor hem. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet aangevoerd. Het hoger beroep heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel geleid.
3.3. Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient voor zover aangevochten te worden bevestigd.
4. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. van Eijndthoven.
TM