ECLI:NL:CRVB:2012:BV3798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in sociale zekerheidsprocedure
Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV tot intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De procedure duurde van september 2004 tot januari 2012, waarbij de Raad vaststelde dat de redelijke termijn met twee jaar en acht maanden was overschreden.
De Raad bepaalde dat de overschrijding deels aan de Staat en deels aan het UWV toe te rekenen was. De Staat erkende een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden in de eerste rechterlijke fase en stelde een immateriële schadevergoeding van € 500,- voor. Het UWV stemde in met de jurisprudentie van de Raad omtrent de hoogte van de schadevergoeding.
Betrokkene stelde dat de procedure na de uitspraak van april 2009 te lang had geduurd en dat het opdelen van de vertraging in bestuurlijke en rechterlijke fase in strijd was met artikel 6 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat de overschrijding in beginsel aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend, tenzij sprake is van langere rechterlijke behandelingsduur.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn met twee jaar en acht maanden was overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,-. Hiervan is € 500,- voor rekening van de Staat en € 2.500,- voor het UWV. Tevens werden de proceskosten van € 437,- verdeeld over Staat en UWV. De Raad zag geen reden voor een hogere schadevergoeding.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 januari 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep kent betrokkene een schadevergoeding toe van € 3.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, te verdelen tussen Staat en UWV.