ECLI:NL:CRVB:2012:BY3161

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-324 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 43 lid 1 WWB
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor medische kosten wegens te late aanvraag en eerdere beslissing

Appellante, die sinds 2003 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor medische kosten en het eigen risico over de jaren 2008 tot en met 2010. Het college stelde eerdere aanvragen buiten behandeling of wees ze af wegens onvoldoende gegevens of omdat reeds op soortgelijke aanvragen was beslist. Bij een nieuwe aanvraag in 2011 voor kosten uit 2010 wees het college deze af omdat de aanvraag te laat was ingediend, namelijk niet binnen het lopende kalenderjaar.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij haar administratie niet op orde had en pas in 2010 kon zien welke kosten niet werden vergoed. De Raad oordeelde dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de aanvraag later dan het kalenderjaar wordt ingediend. Het college hanteerde een beleid waarbij bijzondere bijstand met terugwerkende kracht slechts tot 1 januari van het lopende kalenderjaar kan worden verleend.

De Raad concludeerde dat appellante tijdig had moeten aanvragen en dat het college het besluit tot afwijzing terecht handhaafde. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor medische kosten in 2010 wordt afgewezen wegens te late indiening en het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

12/324 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 december 2011, 11/4963 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak 13 november 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.B. Zebregs, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad een zitting achterwege gelaten, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt sinds oktober 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft op 5 oktober 2010 en 9 november 2010 bijzondere bijstand aangevraagd voor in de jaren 2008 tot en met 2010 gemaakte kosten van medische zorg die niet zijn vergoed door de zorgverzekeraar en het eigen risico van de zorgverzekering in de jaren 2008, 2009 en 2010, steeds tot een bedrag van € 2.553,72.
1.2. Bij besluit van 24 november 2010 heeft het college de aanvraag van 5 oktober 2010 buiten behandeling gesteld omdat onvoldoende gegevens zijn verstrekt voor de beoordeling daarvan. Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college de aanvraag van 9 november 2009 ter zake van kosten van medische zorg in 2008 en 2009 en het eigen risico in de jaren 2008, 2009 en 2010 afgewezen en is de aanvraag ter zake van kosten van medische zorg in 2010 buiten behandeling gesteld omdat onvoldoende gegevens zijn verstrekt voor de beoordeling daarvan. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden door de uitspraak van de Raad van heden in de zaak met nummer 11/5480 WWB.
1.3. Appellante heeft op 13 april 2011 opnieuw een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor niet door de zorgverzekeraar vergoede kosten tot hetzelfde bedrag van € 2.553,72. Uit de bij de aanvraag gevoegde facturen blijkt dat deze aanvraag betrekking heeft op de kosten van medische zorg en het eigen risico van de zorgverzekering in de jaren 2008, 2009 en 2010.
1.4. Bij besluit van 21 april 2011, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 augustus 2011 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. De aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van medische zorg in 2008 en 2009 en het eigen risico is afgewezen op de grond dat op een dergelijke aanvraag al is beslist bij besluit van 16 december 2010 en dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van medische zorg in 2010 is afgewezen omdat deze te laat, te weten niet in het lopende kalenderjaar, is ingediend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het college had de aanvraag voor kosten van medische zorg in 2010 inhoudelijk moeten beoordelen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In hoger beroep is, zoals blijkt uit de beroepsgronden, slechts in geschil het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van medische zorg in 2010.
4.2. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 mei 2007, LJN BA6875) vloeit uit artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.3. Appellante heeft aangevoerd dat zij haar administratie niet op orde had, dat zij pas in 2010 aan de hand van een door de zorgverzekeraar verstrekt overzicht kon zien welk deel van de in 2008 en 2009 gemaakte medische kosten zij zelf moest voldoen en dus welke in 2010 gemaakte kosten niet zouden worden vergoed. Verder wist zij niet dat alleen medische kosten in het lopende jaar voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Pas in 2011 kon zij over de door het college opgevraagde facturen van de medische zorgverleners beschikken. Dit zijn echter geen bijzondere omstandigheden als onder 4.2 bedoeld. Appellante wist dat de kosten gemaakt werden en had eerder kunnen weten dat deze niet of niet geheel vergoed zouden worden, indien zij haar administratie tijdig op orde had gebracht.
4.4. Het college hanteerde ten tijde in geding bij het verlenen van bijzondere bijstand - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende beleid. De aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt. In afwijking van deze regel kan bijzondere bijstand worden verleend met terugwerkende kracht. In dat geval wordt onderzocht of de gemaakte kosten noodzakelijk waren en of de aanvrager bijstandbehoevend was. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord kan bijstand met terugwerkende kracht worden verleend tot uiterlijk 1 januari van het lopende kalenderjaar. Dit beleid moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 8 februari 2012, LJN BV3889) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het op consistente wijze is toegepast.
4.5. De thans in geding zijnde aanvraag om bijzondere bijstand voor de in het jaar 2010 gemaakte kosten van medische zorg is ingediend op 13 april 2011. Het betoog van appellante dat zij, gelet op haar eerdere aanvragen in 2010, de aanvraag tijdig heeft ingediend kan niet slagen. Die eerdere aanvragen hebben geleid tot de hiervoor onder 1.2 vermelde besluitvorming en liggen thans niet ter beoordeling voor.
4.6. Het college heeft daarom de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten uit 2010 in overeenstemming met zijn beleid mogen afwijzen op de grond dat deze te laat, te weten niet in het kalenderjaar waarin de kosten zich hebben voorgedaan, is ingediend. Dit wordt niet anders door de stelling van appellante dat zij niet eerder over die facturen van die kosten kon beschikken. Gelet op de besluitvorming in 2010 over de kosten uit de jaren 2008 en 2009, kon appellante weten dat zij tijdig, te weten in 2010, een aanvraag moest doen voor de kosten in 2010.
4.7. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) R. Scheffer
ew