ECLI:NL:CRVB:2012:BV6267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verkorte wachttijd IVA-uitkering wegens niet duurzaam arbeidsongeschikt
Betrokkene, werkzaam als allround medewerker sociale wetgeving en buitengewoon opsporingsambtenaar sociale fraude, viel uit wegens psychische klachten en vroeg een IVA-uitkering aan na een verkorte wachttijd. Het UWV wees deze aanvraag af omdat betrokkene niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat het UWV een onjuiste maatstaf had gehanteerd en onvoldoende rekening had gehouden met alle medische gegevens.
In hoger beroep stelt het UWV dat de rechtbank ten onrechte het derde lid van artikel 4 van Pro de Wet WIA heeft betrokken bij de beoordeling van de verkorte wachttijd, terwijl volgens artikel 23, zesde lid, alleen het tweede lid van artikel 4 relevant Pro is. Het UWV benadrukt dat de beoordeling moet uitgaan van een stabiele of verslechterende medische situatie op het moment van aanvraag.
De Raad oordeelt dat het UWV de juiste maatstaf heeft gehanteerd en dat het onderzoek zorgvuldig was. Hoewel betrokkene later een IVA-uitkering kreeg toegekend, was op het moment van aanvraag nog geen sprake van een onomkeerbare medische situatie. De rechtbank heeft de wet verkeerd uitgelegd door het derde lid van artikel 4 te Pro betrekken. Daarom wordt de aangevallen uitspraak vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De aanvraag voor een verkorte wachttijd IVA-uitkering is terecht afgewezen omdat betrokkene niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.