ECLI:NL:CRVB:2012:BV7980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde een onderzoek in nadat bekend werd dat appellante een kostganger had. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek in december 2008 werd een checklist ingevuld die door appellante en de kostganger werd ondertekend.
De Svb trok de uitkering in per 1 september 2006, later aangepast naar 1 september 2007, omdat was vastgesteld dat appellante en de kostganger een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten niet-ontvankelijk dan wel ongegrond. Appellante ging in hoger beroep tegen de ongegrondverklaring.
De Raad beoordeelde of sprake was van een gezamenlijke huishouding op basis van objectieve criteria: het hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg. Vaststond dat beiden in dezelfde woning verbleven. De Raad concludeerde op grond van feiten zoals gezamenlijke activiteiten, gezamenlijke kostenbijdrage en de mate van verbondenheid dat er sprake was van wederzijdse zorg die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt.
Appellante voerde aan dat de checklist onjuist was ingevuld en dat de financiële relatie zakelijk was, maar de Raad hechtte weinig waarde aan het achteraf intrekken van verklaringen en vond de nuances onvoldoende om het oordeel te wijzigen. Het verlies van financiële onafhankelijkheid vormde geen dringende reden om de intrekking niet door te zetten.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.