ECLI:NL:CRVB:2012:BV8649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en woonadres
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande vanaf 4 augustus 2006. Het college stelde na onderzoek vast dat zij in de periode 4 augustus 2006 tot 30 september 2007 niet op het opgegeven adres woonde en vanaf 1 oktober 2007 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Het college trok de bijstand in en vorderde kosten terug.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep stelde de Raad vast dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had voor de intrekking over de eerste periode, omdat het waterverbruik alleen onvoldoende bewijs is voor het ontbreken van hoofdverblijf. De Raad vernietigde dit deel van het besluit en stelde de terugvordering vast op het bedrag voor de periode vanaf 1 oktober 2007.
Voor de periode vanaf 1 oktober 2007 oordeelde de Raad dat op basis van verklaringen, observaties, waterverbruik en medische gegevens voldoende bewijs was voor een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg. De intrekking en terugvordering over deze periode bleven in stand.
De Raad veroordeelde het college in de proceskosten en vergoedde het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige en feitelijke onderbouwing bij intrekking van bijstand en terugvordering.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 4 augustus 2006 tot 30 september 2007, maar bevestigd vanaf 1 oktober 2007 wegens gezamenlijke huishouding.