ECLI:NL:CRVB:2012:BV9409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging toeslag wegens gezamenlijke huishouding volgens Toeslagenwet
Appellante ontving sinds 2005 een toeslag op grond van de Toeslagenwet als ongehuwde. In 2008 gaf zij aan samen te wonen met [A.], waarna het UWV de toeslag per 7 juli 2008 beëindigde wegens het aannemen van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad oordeelt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding conform artikel 1 van Pro de Toeslagenwet, omdat appellante en [A.] hun hoofdverblijf delen en zorg aan elkaar verlenen.
Hoewel [A.] financieel niet bijdroeg, was er sprake van wederzijdse zorg, onder andere doordat appellante [A.] financieel ondersteunde en [A.] huishoudelijke taken verrichtte. Dit voldoet aan de criteria voor een gezamenlijke huishouding, waardoor de beëindiging van de toeslag terecht is.
De Raad wijst het beroep van appellante af en bevestigt het bestreden besluit van het UWV. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de toeslag terecht is beëindigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.