ECLI:NL:CRVB:2012:BW0888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening recht op kinderbijslag wegens schending inlichtingenplicht en verzekeringseinde
Appellant was vanaf 1 juli 2004 niet meer verzekerd voor de volksverzekeringen, waaronder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), waardoor hij vanaf het derde kwartaal van 2004 geen recht meer had op kinderbijslag. Desondanks werd kinderbijslag toegekend en uitbetaald.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag het recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht omdat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door onjuiste informatie te verstrekken over zijn inkomen en dienstverband. De Raad oordeelde dat het voor appellant duidelijk had moeten zijn dat het beëindigen van zijn dienstverband invloed kon hebben op zijn kinderbijslag.
De Raad bevestigde dat het buitenwettelijke begunstigende beleid van de Svb omtrent terugwerkende kracht consistent was toegepast en dat er geen sprake was van een kennelijk onredelijke toepassing van artikel 14a AKW.
Daarnaast vroeg appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad constateerde dat de totale duur van zes jaar en acht maanden de redelijke termijn overschreed en besloot het onderzoek te heropenen voor een nadere uitspraak over deze schadevergoeding, waarbij ook de Staat der Nederlanden als partij wordt betrokken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht en heropent het onderzoek naar schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.