ECLI:NL:CRVB:2012:BW6316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAZ-uitkering wegens werkzaamheden in onderneming echtgenote
Appellant ontving sinds 1985 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ, berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het Uwv stelde vast dat appellant sinds 1997 werkzaamheden verrichtte in de onderneming(en) van zijn echtgenote, zonder dit aan het Uwv te melden, wat een schending van de inlichtingenplicht inhoudt.
Op basis van een rapport werknemersfraude en andere onderzoeken concludeerde het Uwv dat appellant minimaal 30 tot 40 uur per week werkte en een leidende rol had binnen de ondernemingen. Het Uwv schatte het inkomen van appellant gelijk aan dat van zijn echtgenote en achtte hem minder dan 25% arbeidsongeschikt. Daarom werd de WAZ-uitkering geanticumuleerd, ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de besluiten van het Uwv. In hoger beroep stelde appellant onder meer dat hij het Uwv wel had geïnformeerd en dat hij zwakbegaafd was, maar de Raad verwierp deze gronden. Ook de vrijspraak in strafrechtelijke zin van uitkeringsfraude deed hieraan niet af.
De Raad oordeelde dat het bewijs in bestuursrechtelijke procedures minder streng is dan in strafzaken en dat de indirecte verrijking door appellant voldoende is vastgesteld. De Raad bevestigde de intrekking, anticumulatie, toekenning en terugvordering van de WAZ-uitkering en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WAZ-uitkering wegens werkzaamheden in de onderneming van de echtgenote.