ECLI:NL:CRVB:2012:BW6547
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Betrokkene 1 ontving bijstand als alleenstaande, maar appellant stelde dat hij samen met betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding voerde in de periode van 15 juli 1998 tot en met 31 juli 2004, waardoor bijstand herzien en teruggevorderd moest worden. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor samenwoning, maar de Centrale Raad van Beroep kwam tot een ander oordeel.
De Raad baseerde zich op onafhankelijke getuigenverklaringen van buurtbewoners en de campingeigenaar, die eenduidig samenwonen aantoonden. Ook verklaringen van betrokkenen zelf toonden wederzijdse zorg en financiële verstrengeling aan, zoals gedeelde kosten en gezamenlijke vakanties. De Raad stelde vast dat het hoofdverblijf van betrokkenen in dezelfde woning was, ondanks afzonderlijke inschrijvingen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de bestreden besluiten voor zover die de aflossingsverplichting betroffen en droeg appellant op nieuwe besluiten te nemen. Verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen. Tot slot veroordeelde de Raad appellant in de proceskosten van betrokkenen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voerden en vernietigt de bestreden besluiten voor zover deze de aflossingsverplichting betreffen.