ECLI:NL:CRVB:2012:BW7560

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-654 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken huishouding en onderhoud

Appellante ontving kinderbijslag voor haar drie kinderen, die sinds 2006 in Marokko wonen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal 2006 tot en met het vierde kwartaal 2008 omdat appellante niet kon aantonen dat zij met de kinderen een huishouden vormde of hen voldoende onderhield.

Appellante stelde in bezwaar dat zij regelmatig in Marokko verbleef en de kinderen samen met haar echtgenoot verzorgde. Zij gaf wisselende verklaringen over de verblijfplaats van de kinderen en verschaft geen adresgegevens van haar moeder of echtgenoot, waardoor controle onmogelijk was. Ondanks toezeggingen werden geen bewijsstukken overlegd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij aan de onderhoudseis voldeed of met de kinderen een huishouden vormde. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, wijzend op het ontbreken van bewijs en het niet verschijnen van appellante bij de zitting.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van aannemelijk bewijs voor het vormen van een huishouden of het voldoen aan de onderhoudseis.

Uitspraak

11/654 AKW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2010, 09/5885 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak 25 mei 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.F. Achekar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2012. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft kinderbijslag ontvangen ten behoeve van haar kinderen [Y.], [S.] en [M.] (de kinderen). De gemeente Amsterdam heeft de Svb bericht dat onderzoek werd gedaan naar appellantes adres. Naar aanleiding hiervan heeft de Svb appellante om inlichtingen gevraagd omtrent de woonplaats van haarzelf en van de kinderen. Op 23 februari 2009 heeft appellante de Svb telefonisch medegedeeld dat zij op het bij de Svb bekende adres in [woonplaats] woont, dat de kinderen sinds september 2006 bij haar moeder in Marokko wonen en dat zij niet kan aantonen de kinderen te hebben onderhouden. Navraag bij de school van de kinderen heeft uitgewezen dat de kinderen vanaf 1 augustus 2006 niet meer zijn ingeschreven.
1.2. Bij besluit van 27 februari 2009 heeft de Svb alsnog kinderbijslag geweigerd over het vierde kwartaal van 2006 tot en met het vierde kwartaal van 2008 onder overweging dat de kinderen uitwonend zijn en appellante niet heeft aangetoond hen in een zodanige mate te onderhouden dat zij voor kinderbijslag in aanmerking komt.
1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 februari 2009. Zij heeft daarbij gesteld regelmatig in Marokko te verblijven en aldaar de kinderen te verzorgen en te onderhouden tezamen met haar echtgenoot, met wie zij gedurende haar verblijf in Marokko een gemeenschappelijke huishouding voert. Uit de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie is de Svb gebleken dat appellante in juli 2007 in Marokko (opnieuw) is gehuwd, uit welk huwelijk op 25 november 2008 een kind is geboren.
1.3. Bij het bestreden besluit van 12 november 2009 heeft de Svb zijn besluit van 27 februari 2009 na bezwaar gehandhaafd. De Svb heeft vastgesteld dat appellante ingezetene van Nederland is. Hij is er op grond van de eerdere verklaringen van appellante van uitgegaan dat de kinderen bij haar moeder wonen en heeft vastgesteld dat appellante niet heeft aangetoond aan het onderhoud van de kinderen bij te dragen.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante ingezetene is van Nederland en dat de kinderen in Marokko wonen. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt met de kinderen een huishouden te vormen. De beschikbare gegevens wijzen weliswaar uit dat zij regelmatig naar Marokko reist, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat zij bij de kinderen verblijft. Appellante heeft aanvankelijk verklaard dat de kinderen bij haar moeder in Marokko wonen. In bezwaar heeft zij gesteld dat de kinderen door haar tweede echtgenoot worden verzorgd en opgevoed. Zij heeft evenwel geen duidelijkheid over de verblijfplaats van de kinderen verschaft. Zo heeft zij geen adressen van haar moeder en haar echtgenoot genoemd, waardoor controle door de Svb onmogelijk is.
3.1. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat de kinderen sinds september 2006 bij haar moeder in Marokko woonden en dat appellante regelmatig bij hen verbleef. Na haar huwelijk [in] 2007 zijn de kinderen door haar echtgenoot verzorgd en opgevoed. Appellante noemt een adres in Tetouan, waar zowel haar moeder als haar echtgenoot en de kinderen verblijven. Zij zal hiervoor nog bewijsstukken inzenden.
3.2. In zijn verweerschrift wijst de Svb erop dat appellante aanvankelijk bij herhaling heeft verklaard dat de kinderen bij haar moeder verbleven. Eerst in de bezwaarfase is het standpunt ingenomen dat zij bij haar echtgenoot verbleven. Er is nooit duidelijkheid verschaft over de adressen van moeder en echtgenoot, hoewel daarom was gevraagd.
4.1. De Raad overweegt het volgende.
4.2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellante recht heeft op kinderbijslag over de in geding zijnde kwartalen omdat zij met de kinderen één huishouden heeft gevormd dan wel omdat zij een zodanige tijd bij de kinderen heeft doorgebracht dat zij geacht kan worden aan de onderhoudseis te hebben voldaan. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat hiervan sprake is geweest. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. Appellante heeft begin 2009 verklaard dat de kinderen sinds september 2006 bij haar moeder woonden. In bezwaar is gesteld dat de kinderen sinds haar huwelijk in juli 2007 bij haar (tweede) echtgenoot verblijven. Desgevraagd heeft appellante echter geen adresgegevens van haar moeder of haar echtgenoot verschaft, zodat enig onderzoek niet mogelijk was. In hoger beroep is in maart 2011 naar voren gebracht dat de moeder, de echtgenoot en de kinderen op één en hetzelfde adres verblijven. Daarbij is een adres genoemd met de mededeling dat nadere bewijsstukken zullen volgen. Hoewel inmiddels een jaar is verstreken, zijn deze bewijsstukken niet ingezonden. Appellante en haar gemachtigde zijn niet ter zitting van de Raad verschenen, zodat zij hierover niet konden worden bevraagd. De Raad kan dan ook evenals de rechtbank slechts vaststellen dat appellante haar stellingen omtrent de verblijfplaats van de kinderen en haar verblijf bij de kinderen in Marokko op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.
4.3. Het onder 4.2 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en J. Brand en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2012.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) Z. Karekezi.
KR