ECLI:NL:CRVB:2012:BW7564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op eigen verzoek
Appellante was van 1 mei 2010 tot 1 januari 2012 in dienst als medewerker bij een gemeentelijke organisatie. Zij heeft op eigen verzoek ontslag genomen per 14 juni 2010, wat door de werkgever is bevestigd. Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij redelijkerwijs het dienstverband had kunnen voortzetten totdat zij ander werk vond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de functie niet overeenkwam met haar verwachtingen, dat de werkgever niet adequaat op haar twijfels reageerde en dat de hoorzitting niet correct was verlopen.
De Centrale Raad van Beroep verwierp deze bezwaren. Uit stukken bleek dat appellante al op 11 juni 2010 aangaf per direct te willen stoppen en dat zij de WW-aanvraag direct na het ontslaggesprek indiende. Er was geen aanleiding voor nader onderzoek bij de werkgever. De Raad bevestigde dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en dat het hoger beroep ongegrond is. Er werd geen schadevergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.