ECLI:NL:CRVB:2019:2086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wijziging maandelijkse aflossingscapaciteit door UWV zonder strijd met vertrouwensbeginsel
Appellant ontving uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet. Het UWV stelde de aflossingscapaciteit aanvankelijk vast op €19 per maand, mede vanwege een vordering van de belastingdienst die appellant in zes termijnen zou terugbetalen. Later verhoogde het UWV het aflossingsbedrag naar €540,11 per maand en hield dit maandelijks in op de uitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen deze verhoging en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, stellende dat een medewerker van het UWV telefonisch had toegezegd dat het aflossingsbedrag niet zou worden verhoogd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan en appellant had kunnen begrijpen dat het bedrag na afloop van de periode opnieuw zou worden vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het UWV geen strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gemaakt door het aflossingsbedrag te wijzigen. De stelling van appellant was onvoldoende onderbouwd en de communicatie van het UWV maakte duidelijk dat de verlaging tijdelijk was. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de wijziging van het aflossingsbedrag door het UWV wordt bevestigd.