ECLI:NL:CRVB:2012:BW8306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving algemene bijstand van 1996 tot 2008, waarvan het college de intrekking en terugvordering van kosten heeft bevolen omdat zij samen met appellant een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden. Het college baseerde dit op een bijzonder onderzoek van de sociale recherche, dat voldoende aanleiding en feitelijke grondslag bood.
Appellanten voerden aan dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat verklaringen onder druk waren afgelegd zonder advocaat, maar de Raad verwierp deze bezwaren en oordeelde dat de verklaringen geldig waren en dat er geen sprake was van onaanvaardbare druk. Ook het niet eerder innemen van het standpunt door het college werd niet als onredelijk beoordeeld.
De Raad stelde vast dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht hadden op aanvullende bijstand volgens de gehuwdennorm en dat het college redelijk had gehandeld bij de medeterugvordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand en terugvordering bevestigd.