ECLI:NL:CRVB:2012:BW9588

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2884 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging Ziektewetuitkering wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen

Appellant meldde zich op 21 januari 2008 ziek met rugklachten en ontving vanaf 21 april 2008 een Ziektewetuitkering. In september 2009 werd een re-integratieplan opgesteld, waarin appellant zou werken bij de AM groep. Appellant werkte slechts twee dagdelen en meldde zich daarna ziek.

Het UWV legde op 26 oktober 2009 een maatregel op tot verlaging van de ZW-uitkering met 15%, wegens verwijtbare onvoldoende medewerking aan re-integratie. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij niet adequaat was onderzocht door een verzekeringsarts.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht had geconcludeerd dat appellant onvoldoende inspanningen had verricht zonder geldige reden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts een volledige heroverweging had uitgevoerd, inclusief het opvragen van medische informatie bij de huisarts.

De Raad vond geen aanwijzingen dat de rugklachten zodanig ernstig waren dat het werk niet redelijkerwijs van appellant kon worden verlangd. De aanvullende informatie van appellant betrof een andere periode en kon het oordeel niet wijzigen. Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de uitkering bevestigd.

Uitkomst: De verlaging van de Ziektewetuitkering met 15% wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie wordt bevestigd.

Uitspraak

11/2884 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2011, 10/1918 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 20 juni 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgehad met zaak 11/2885 WIA op 23 mei 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 21 januari 2008 wegens rugklachten ziek gemeld vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet. Vanaf 21 april 2008 ontving appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.2. Nadat appellant op 4 augustus 2009 was gezien door een verzekeringsarts, is in september 2009 een re-integratieplan opgesteld dat door appellant is ondertekend. In het re-integratieplan is opgenomen dat appellant gedurende 12 weken, te beginnen op 15 september 2009, zal gaan werken bij de AM groep, waarbij de omvang van de werktijd geleidelijk zal worden opgebouwd. Appellant heeft zich in de tweede werkweek ziek gemeld. Hij had op dat moment in totaal twee dagdelen gewerkt.
1.3. Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft het Uwv aan appellant de maatregel opgelegd om zijn ZW-uitkering van 26 oktober 2009 tot en met 16 januari 2010 met 15% te verlagen, omdat appellant verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan het re-integratietraject.
1.4. Bij besluit van 11 maart 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2009 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit de rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 16 februari 2010 en de rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 2 maart 2010 ten grondslag gelegd.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - geoordeeld dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellant zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat er geen sprake is van omstandigheden die wijzen op het ontbreken van verwijtbaarheid of die leiden tot het aannemen van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van appellant.
3. In hoger beroep heeft appellant, evenals in bezwaar en in beroep, - samengevat - gesteld dat de besluitvorming door het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat hij aansluitend aan zijn ziekmelding in september 2009 niet is gezien door een verzekeringsarts en dat het inschakelen van de bezwaarverzekeringsarts tijdens de bezwaarprocedure dit gebrek niet kan herstellen.
4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De beschikbare medische gegevens bevatten geen aanwijzingen dat de rugklachten van appellant zo ernstig waren, dat het voortzetten van de werkzaamheden in het kader van het re-integratieplan redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden. Voor zover er bij de primaire besluitvorming gesproken kan worden van onvolkomenheden doordat appellant niet is gezien door een verzekeringsarts, zijn deze in het kader van een volledige heroverweging in bezwaar afdoende hersteld doordat appellant is onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts, die ook medische informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van appellant. De namens appellant bij brief van 2 mei 2012 overgelegde informatie ziet niet op periode hier in geding en kan derhalve niet tot een andersluidend oordeel leiden.
4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.
5. Er zijn geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) Z. Karekezi
TM