ECLI:NL:CRVB:2012:BW9847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij inhouding bijstand
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en maakte bezwaar tegen een inhouding van € 90,55 over een periode in 2009. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna de rechtbank het beroep tegen dit besluit gegrond verklaarde en het besluit vernietigde wegens een onjuiste wettelijke grondslag en onvoldoende motivering.
Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat het college na de inhouding voor een boete onterecht was doorgegaan met inhoudingen voor andere schulden, ondanks toezeggingen dat dit niet zou gebeuren. Vervolgens heeft het college de inhoudingen over een aantal maanden ongedaan gemaakt en een bedrag van € 452,75 aan appellante terugbetaald.
De Raad oordeelt dat door dit herstel appellante geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de uitspraak, aangezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten en appellante geen schadevergoeding heeft gevorderd. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep, omdat het college na het instellen van het hoger beroep aan haar tegemoet is gekomen. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 juni 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na terugdraaien van de inhoudingen.