ECLI:NL:CRVB:2012:BX1950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante had zich ziek gemeld vanuit een WW-uitkeringssituatie en kreeg per 28 september 2009 een WIA-uitkering geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Zij was daarna kort werkzaam geweest als huishoudelijk medewerkster op een nul-urencontract, maar stopte vanwege onvermogen het werk voort te zetten. Het UWV weigerde haar ziekengeld per 18 maart 2010 na onderzoek door verzekeringsartsen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond. Zij oordeelde dat de arbeid die appellante kort verrichtte niet als haar eigen arbeid kon worden aangemerkt, maar dat de functies die in 2009 waren geduid in het kader van de Wet WIA als haar arbeid moesten worden beschouwd. De medische onderzoeken waren zorgvuldig en gaven geen aanleiding tot twijfel.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij mogelijk leed aan sarcoïdose, wat haar klachten zou verklaren. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat appellante niet met medische gegevens had onderbouwd dat zij op de datum in geding niet in staat was haar werk te verrichten. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de ZW-uitkering bevestigd.