ECLI:NL:CRVB:2012:BX2178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling arbeidsongeschiktheid en ziekengeld op grond van Ziektewet
Appellant, werkzaam als projectondersteuner, meldde zich ziek per 5 februari 2009 en ontving een Ziektewetuitkering. Op 22 februari 2010 werd hem meegedeeld dat hij vanaf 23 februari 2010 weer geschikt werd geacht tot arbeid, waarna het bezwaar tegen dit besluit op 10 maart 2010 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij de medische beoordelingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts als voldoende zorgvuldig en verantwoord beschouwde.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet tijdig alle stukken, waaronder de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, had ontvangen en dat zijn beperkingen door het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat de rechtbank niet had voldaan aan artikel 8:57 Awb Pro door appellant niet voorafgaand aan de uitspraak alle stukken te verstrekken, wat strijdig was met de goede procesorde. Daarom werd de uitspraak vernietigd en de zaak zelf inhoudelijk afgedaan.
De Raad bevestigde dat op grond van artikel 19 ZW Pro het recht op ziekengeld afhankelijk is van objectief medisch vastgestelde ongeschiktheid. De verzekeringsartsen hadden een zorgvuldig onderzoek gedaan en concludeerden dat appellant op de datum in geding niet arbeidsongeschikt was. Nieuwe medische stukken en informatie over CVS konden het oordeel niet wijzigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant per 23 februari 2010 geschikt is voor arbeid.