ECLI:NL:CRVB:2012:BX2425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet bewezen
Appellanten, gescheiden sinds 1998, kregen bijstand toegekend aan appellante als alleenstaande ouder. Het college trok de bijstand in en vorderde kosten terug op grond van een vermeende gezamenlijke huishouding tussen appellanten op het adres van appellante.
De sociale recherche voerde een uitgebreid onderzoek uit, waaronder getuigenverklaringen en verbruiksgegevens van gas, water en elektriciteit. Uit de verklaringen bleek echter onvoldoende feitelijke grondslag om vast te stellen dat appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante in de periode 4 mei 2004 tot en met 31 maart 2009.
De Raad oordeelde dat de rechtbank dit niet had onderkend en vernietigde de besluiten over deze periode. Voor de periode vanaf 1 april 2009 tot en met 30 september 2010 werd de intrekking van de bijstand wel gegrond verklaard.
Het college werd veroordeeld in de proceskosten en opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak. Partijen kunnen tegen deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Besluiten tot intrekking van bijstand en terugvordering vernietigd wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding over de periode 4 mei 2004 tot 31 maart 2009.