ECLI:NL:CRVB:2012:BX2427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens vermogen uit erfenis boven vrij te laten grens
Appellante had vanaf 2001 bijstand ontvangen, maar deze werd per 1 november 2006 beëindigd vanwege een erfenis van circa €139.936 die haar vermogen boven het vrij te laten bedrag bracht. Op 12 maart 2010 diende zij een nieuwe aanvraag in, die op 1 juli 2010 werd afgewezen omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet over voldoende middelen beschikte.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet hoefde aan te tonen hoe zij de erfenis had besteed, mede vanwege haar bipolaire stoornis en gokverslaving. De Raad oordeelde dat zij wel de bewijslast draagt om inzicht te geven in de besteding van de erfenis en dat haar medische gegevens onvoldoende waren om haar stelling te ondersteunen.
Ook het betoog dat het bestuur haar onvoldoende had geïnformeerd over de verplichting tot verantwoord interen werd verworpen. De Raad benadrukte dat het de verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde is om verantwoord in te teren. Verklaringen van derden over leningen konden niet aantonen dat zij in de relevante periode geen middelen had om in haar levensonderhoud te voorzien.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag werd afgewezen omdat appellante niet aannemelijk maakte dat zij verantwoord had ingeteerd op haar erfenis.