ECLI:NL:CRVB:2012:BX2526
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling fictieve opzegtermijn en recht op WW-uitkering na beëindigingsovereenkomst
Appellant trad op 1 januari 2007 in dienst bij Kobalt B.V. en sloot een arbeidsovereenkomst met een opzegtermijn van twee maanden voor de werknemer. Op 30 september 2009 sloten partijen een beëindigingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 november 2009 werd beëindigd met wederzijds goedvinden en een beëindigingsvergoeding werd betaald.
Appellant vroeg per 1 november 2009 een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze tot en met 17 november 2009 op grond van een vermeende langere opzegtermijn van vier maanden voor de werkgever. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad stelt vast dat het beding in de arbeidsovereenkomst dat een langere opzegtermijn voor de werkgever regelt niet rechtsgeldig schriftelijk is overeengekomen, zoals vereist in artikel 7:672 lid 6 BW Pro. Hierdoor geldt de wettelijke opzegtermijn van één maand voor de werkgever. De Raad vernietigt het besluit van het UWV en bepaalt dat appellant recht heeft op WW-uitkering vanaf 1 november 2009 tot en met 17 november 2009 tegen een dagtarief van €139,10 bruto.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van schade en proceskosten aan appellant en stelt regels vast voor de berekening van wettelijke rente over de achterstallige uitkeringen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 juli 2012.
Uitkomst: Appellant heeft recht op WW-uitkering vanaf 1 november 2009 tot en met 17 november 2009; het besluit van het UWV wordt vernietigd.