ECLI:NL:CRVB:2012:BX2732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemeld vermogen in boten
Appellanten ontvingen vanaf 1995 bijstand en werden door het college geconfronteerd met een fraudemelding over een motorboot die op naam van appellant stond. Het college trok de bijstand in en vorderde een bedrag van €189.718,30 terug wegens het niet melden van vermogen in de vorm van boten.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad stelde vast dat de rechter buiten de omvang van het geding was getreden door te oordelen over zaken die niet aan het besluit ten grondslag lagen. Uit bewijsstukken bleek dat appellanten vanaf 28 augustus 1997 beschikten over de Princess 330, die zij in 1999 verkochten voor fl. 175.000,--.
Appellanten hadden dit niet gemeld, waardoor zij hun inlichtingenplicht schonden en het recht op bijstand over een deel van de periode niet vaststaat. De Raad vond echter dat de terugvordering onevenredig was omdat het teruggevorderde bedrag hoger was dan de verkoopopbrengst en het college niet had onderzocht over welke periode appellanten van het vermogen konden leven.
Daarom vernietigde de Raad het besluit voor zover het de terugvordering betreft en droeg het college op het besluit binnen tien weken te herzien met inachtneming van de overwegingen, waaronder een matiging van het terug te vorderen bedrag.
Uitkomst: Het besluit tot volledige terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het college opgedragen het besluit te herzien met matiging van het terug te vorderen bedrag.