ECLI:NL:CRVB:2012:BX3362

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6682 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 84 Algemene bijstandswetArt. 7:12 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvorderingsbesluit bijstand wegens onvoldoende motivering en bevoegdheidsgebrek

De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere waarin kosten van bijstand mede van appellant werden teruggevorderd over de periode van 1 juli 1997 tot en met 19 december 2007. Het college had bijstand verleend aan [G.] naar de norm voor een alleenstaande ouder.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet geen grondslag biedt voor terugvordering van een partner met wiens middelen bijstand is verleend aan de andere partner volgens de norm voor een alleenstaande ouder. Het college erkent dit. Hierdoor ontbreekt een deugdelijke motivering voor het bestreden besluit.

De Raad vernietigt het besluit van 14 augustus 2009 en draagt het college op een nieuw besluit te nemen waarbij het college uitgaat van het ontbreken van bevoegdheid tot terugvordering over de genoemde periode. Tevens moet het college een beslissing nemen over de gevraagde kostenvergoeding. De Raad veroordeelt het college in de proceskosten van appellant en bepaalt vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen zonder terugvordering over de periode tot 31 december 1998.

Uitspraak

10/6682 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 oktober 2010, 09/1689 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak 31 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/6683 WWB, plaatsgevonden op
19 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Groenenberg, kantoorgenoot van mr. Raaijmakers, en vergezeld door P. Kirmani als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak in de zaak van D.K. [G.] ([G.]) 10/6683 WWB. Een afschrift van die uitspraak is aangehecht. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 29 mei 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2009 (bestreden besluit), heeft het college de kosten van de aan [G.] naar de norm voor een alleenstaande ouder verleende bijstand en incidentele verstrekkingen over de periode van
1 juli 1997 tot en met 19 december 2007 tot een bedrag van € 150.628, 75 mede van appellant teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellant heeft - evenals [G.] in de gevoegde zaak - aangevoerd dat de gedingstukken onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel van de rechtbank dat hij en [G.] niet duurzaam gescheiden leven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen verwijst de Raad naar hetgeen hij in zijn uitspraak in de zaak 10/6683 WWB onder 4.1 tot en met 4.5 heeft overwogen. Deze overwegingen dienen als hier herhaald te worden beschouwd.
4.2. Ter zitting van de Raad is aan de orde gesteld dat de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet geen basis biedt voor terugvordering van een partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen dat aan de andere partner naar de norm voor een alleenstaande ouder gezinsbijstand is verleend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 februari 2004, LJN AO5383). Namens het college is dit erkend. Aangezien aan [G.] bijstand is verleend naar deze norm, volgt hieruit dat tot 31 december 1998 geen grondslag bestaat voor medeterugvordering van appellant.
4.3. Uit 4.2 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.
4.4. De Raad ziet aanleiding het college op te dragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 mei 2009. Het college dient er daarbij vanuit te gaan dat het niet bevoegd is de ten behoeve van [G.] over de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1998 gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar zal het college tevens een beslissing moeten nemen over de in bezwaar gevraagde kostenvergoeding. De Raad ziet in dit geval, nu het slechts nog gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.
5. Voorts bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 437,-- in beroep, gelet op de door de rechtbank in beroep bepaalde proceskostenveroordeling in de - met de zaak 09/1689 samenhangende - zaak 09/1688, en voorts op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.311,--.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-vernietigt de aangevallen uitspraak;
-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 augustus 2009;
-draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
-veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.311,--;
-bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) R. Scheffer
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.
HD
+B