ECLI:NL:CRVB:2012:BX3402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B. Barentsen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering na toekenning WIA-uitkering en terugvordering onverschuldigde betalingen
Appellant ontving een WW-uitkering en meldde zich ziek per 4 januari 2004. Na bezwaar en een gerechtelijke uitspraak werd appellant met terugwerkende kracht per 1 januari 2006 in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Het UWV stelde vervolgens vast dat appellant vanaf 2 januari 2006 geen recht had op WW-uitkering en vorderde het te veel ontvangen bedrag van €41.260,67 bruto terug.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat het UWV naliet de WIA-uitkering te verrekenen met de WW-uitkering. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het feit dat appellant een WIA-uitkering ontving vanaf 2 januari 2006 betekent dat het recht op WW-uitkering vanaf die datum vervalt. Het UWV was verplicht de onverschuldigde betalingen terug te vorderen. Het niet verrekenen van de WIA-uitkering met de WW-uitkering vormt geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Financiële gevolgen voor appellant zijn niet onaanvaardbaar gebleken, mede omdat appellant geen contact had opgenomen met de Belastingdienst voor een regeling.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 juli 2012 en bevestigt het eerdere vonnis van de rechtbank Maastricht van 16 januari 2011.
Uitkomst: De terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.