Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.Het tegen het besluit van 20 april 2020 gemaakte bezwaar is geacht gericht te zijn tegen het besluit van 12 mei 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf 29 mei 2013 een WW-uitkering terwijl zij recht had op een WIA-uitkering. Het UWV trok de WW-uitkering in en verrekende deze gedeeltelijk met de WIA-uitkering, maar betaalde per abuis een restantbedrag van € 41.211,52 bruto aan appellante uit.
Het UWV vorderde dit bedrag terug, waarop appellante bezwaar maakte. De rechtbank matigde de terugvordering tot € 29.150,37, rekening houdend met een schikkingsvoorstel van het UWV. Appellante stelde dat zij niet wist dat zij te veel had ontvangen en dat de terugvordering onredelijk hoog was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante had moeten begrijpen dat het bedrag onverschuldigd was, mede omdat het UWV dit duidelijk had gemaakt in eerdere besluiten. De Raad bevestigt dat het UWV verplicht was het bedrag terug te vorderen en dat de matiging van de terugvordering passend is, gezien de oorzaak, gevolgen en de situatie van appellante.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het terugvorderingsbedrag van € 29.150,37. Tevens krijgt appellante geen vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep.
Uitkomst: De terugvordering van € 29.150,37 door het UWV wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.