ECLI:NL:CRVB:2012:BX3837
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand en terugvordering wegens onvoldoende feitelijke grondslag hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en het college trok deze bijstand in en vorderde terugbetaling over de periode van 1 februari 2002 tot en met 31 mei 2009, omdat werd aangenomen dat zij samenwoonde met [S.], die ook bijstand ontving. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 1 februari 2002.
In hoger beroep stelde appellante dat [S.] geen hoofdverblijf had in haar woning in de periode van 1 februari 2002 tot 21 september 2002. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende grond boden voor het standpunt dat [S.] vanaf 21 september 2002 tot 31 mei 2009 zijn hoofdverblijf in de woning had, maar onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor de periode daarvoor.
De Raad vernietigde daarom het besluit voor de periode 1 februari 2002 tot 21 september 2002 en droeg het college op een nieuw besluit te nemen over de terugvordering voor die periode. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand en terugvordering over de periode 1 februari 2002 tot 21 september 2002 wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.