ECLI:NL:CRVB:2012:BX6594

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1681 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Algemene bijstandswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens door Mercedes

Appellante en haar partner ontvingen bijstand sinds 1994. Het college van burgemeester en wethouders van Ede trok de bijstand over de periode 9 november 2002 tot 13 januari 2003 in, omdat zij niet hadden gemeld dat een Mercedes op naam van appellante stond, waardoor het vermogen de toegestane grens overschreed.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de Mercedes toebehoorde aan haar zoon en niet aan haar. De Raad toetste of de auto tot het vermogen van appellante moest worden gerekend.

De RDW-gegevens toonden dat het kenteken van de Mercedes op naam van appellante stond gedurende de relevante periode. De factuur was op haar naam, de auto was verzekerd op haar naam en zij betaalde de verzekering. De auto werd verkocht aan een derde en niet aan haar zoon. Verklaringen dat de zoon de auto zou hebben gekocht werden onvoldoende onderbouwd met objectief verifieerbare gegevens.

De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende bewijs leverde om aan te tonen dat de Mercedes niet tot haar vermogen behoorde. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens overschrijding van de vermogensgrens door het bezit van een Mercedes wordt bevestigd.

Uitspraak

10/1681 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 februari 2010, 09/3131 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A.] te [B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)
Datum uitspraak 4 september 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.C. Vermeer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012. Appellante is vertegenwoordigd door haar partner [naam partner] (partner) en mr. Vermeer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.T. Aaldering.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante en de partner ontvangen sinds 28 december 1994 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand.
1.2. Bij besluit van 20 februari 2009 heeft het college de bijstand van appellante en de partner over de periode van 9 november 2002 tot en met 13 januari 2003 ingetrokken op de grond dat zij hebben nagelaten aan het college te melden dat gedurende die periode een Mercedes op naam van appellante heeft gestaan met een zodanige waarde dat zij beschikten over een vermogen dat de grens van het voor gehuwden vrij te laten vermogen overtrof.
1.3. Bij besluit van 26 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Zij betoogt net als in beroep dat de Mercedes ten tijde van belang niet aan haar toebehoorde maar aan haar zoon, [naam zoon] (zoon).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de Mercedes van 9 november 2002 tot en met 13 januari 2003 tot het vermogen van appellante moet worden gerekend.
4.2. Ingevolge artikel 42 van Pro de Algemene bijstandswet worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
4.3. Blijkens de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) stond het kenteken [nr.] van een auto van het merk Mercedes van 9 november 2002 tot en met 13 januari 2003 geregistreerd op naam van appellante. Volgens vaste rechtspraak (CRvB, 19 oktober 2010, LJN BO1318) rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van de betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van diens vermogen waarover hij ook daadwerkelijk de beschikking heeft of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het vervolgens aan betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellante daarin niet is geslaagd.
4.4. Onbetwist is dat de factuur van de Mercedes op naam van appellante is gesteld. Blijkens de factuur is de auto op 20 november 2002 aangekocht voor € 22.000,-- van [naam autohandel] en is de auto contant betaald. De Mercedes was op naam van appellante verzekerd en appellante heeft ter zitting verklaard dat zij logischerwijs dan ook de verzekering van de auto betaalde. Voorts is van belang dat de Mercedes blijkens de gegevens van de RDW op 14 januari 2003 is verkocht aan een derde en niet op naam van de zoon is gekomen. De partner heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de Mercedes gewoon is verkocht, dat hij er verder niets over kan zeggen noch gegevens kan verstrekken over de verkoop. Op grond van vorenstaande beschikbare gegevens kan aan de op 13 maart 2009 opgestelde verklaring van [naam eigenaar], eigenaar van [naam autohandel], inhoudende dat de zoon de Mercedes heeft gekocht en betaald, niet de waarde worden gehecht die appellante daaraan gehecht zou willen zien. Appellante heeft onvoldoende objectief verifieerbare gegevens overgelegd die haar standpunt ondersteunen dat de Mercedes gedurende de periode van belang geen bestanddeel vormde van haar vermogen. De stelling van appellante dat nergens uit zou blijken dat zij met haar geld de auto heeft gekocht, wat daarvan ook zij, kan hieraan niet afdoen.
4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) R. Scheffer
HD