ECLI:NL:CRVB:2012:BX9069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering en niet vervulde wachttijd WIA bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds juni 2006 arbeidsongeschikt wegens rugklachten en hoofdpijn en ontving afwisselend Ziektewet- en Wet arbeid en zorg-uitkeringen. Op 8 april 2010 werd zij door een verzekeringsarts onderzocht en geschikt bevonden voor haar werk als schoonmaakster, waarna haar Ziektewet-uitkering per 9 april 2010 werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering en het besluit over de wachttijd WIA ongegrond. De rechtbank vond dat de verzekeringsartsen voldoende onderzoek hadden gedaan en dat er geen medische contra-indicaties waren voor het werk. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij doorlopend ongeschikt was en dat de verzekeringsartsen onzorgvuldig hadden gehandeld door geen informatie in te winnen bij de behandelend sector.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen over voldoende informatie beschikten en dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij een beoordeling op grond van de Ziektewet. De Raad bevestigde dat de Ziektewet-uitkering terecht werd beëindigd per 9 april 2010. Verder oordeelde de Raad dat door de nieuwe ziekmelding op 8 oktober 2010 zonder onderbreking van minder dan vier weken geen samentelling van wachttijd kon plaatsvinden, waardoor de wachttijd voor de WIA niet was vervuld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 9 april 2010 en oordeelt dat de wachttijd voor de WIA-uitkering niet is vervuld.