ECLI:NL:CRVB:2012:BX9636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit bijstand wegens onzorgvuldige vaststelling vermogen en gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het ontvangen van een erfenis en het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.
Na onderzoek en meerdere besluiten handhaafde het college de intrekking en terugvordering, waarop appellanten bezwaar maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het college onvoldoende had aangetoond dat appellanten gedurende de periode van 1 maart 2006 tot 1 maart 2007 geen recht hadden op bijstand volgens de norm voor gehuwden vanwege vermogen boven de vrijlatingsgrens. Ook was het besluit onzorgvuldig voorbereid en was er geen bewijs van inkomsten uit handel in verdovende middelen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de vaststelling van het recht op bijstand en de terugvordering betrof over genoemde periode en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd voor de periode 1 maart 2006 tot 1 maart 2007 en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.