ECLI:NL:CRVB:2012:BX9657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing gelijkstelling vreemdeling met Nederlander voor bijstand
Appellant, met de Marokkaanse nationaliteit, kwam in 2001 vanuit Italië naar Nederland en kreeg toen een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Deze vergunning werd in 2006 ingetrokken omdat ten onrechte was aangenomen dat hij een EU-onderdaan was. Daarna vroeg appellant een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan voor medische behandeling, welke in 2008 werd afgewezen.
In 2009 diende appellant aanvragen in voor algemene en bijzondere bijstand, die werden afgewezen omdat hij niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant voerde aan dat zijn eerdere rechtmatige verblijf een vervolgaanvraag voor voortgezet verblijf betrof en dat hij daarom gelijkstelling kon claimen op grond van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW en IOAZ.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor gelijkstelling zoals neergelegd in artikel 1 van Pro het Besluit, omdat hij pas na intrekking van zijn verblijfsvergunning een nieuwe aanvraag deed. Ook bood artikel 11, derde lid, van de WWB in verbinding met het Besluit geen ruimte voor gelijkstelling buiten deze voorwaarden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden besluiten bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvragen bevestigd.