ECLI:NL:CRVB:2012:BX9897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
Appellante verzocht om een halfwezenuitkering voor haar zoon met ingang van een datum eerder dan één jaar voor de aanvraag. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende de uitkering toe vanaf maximaal één jaar terug, conform artikel 33, vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet (ANW), waarbij alleen in bijzondere gevallen verdere terugwerkende kracht kan worden toegekend.
Appellante stelde dat zij niet eerder een aanvraag deed vanwege onbekendheid met haar rechten en het feit dat het vaderschap pas in 2009 was vastgesteld. Zij voerde aan dat sprake was van een bijzonder geval en dat haar een in rechte te honoreren toezegging was gedaan dat terugwerkende kracht mogelijk zou zijn bij financiële hardheid.
De Raad oordeelde dat onbekendheid met de wet geen bijzonder geval vormt en dat appellante de Svb niet tijdig informeerde over het mogelijke vaderschap en de procedure. Ook was er geen schriftelijke, onvoorwaardelijke toezegging die het vertrouwen rechtvaardigde. Daarom was de Svb terecht bevoegd de uitkering slechts met terugwerkende kracht van één jaar toe te kennen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de halfwezenuitkering met terugwerkende kracht van maximaal één jaar bevestigd.