ECLI:NL:CRVB:2012:BY0256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens inwonende zoon met hoofdverblijf in woning appellante
Appellante ontving bijstand met een toeslag van 20% als alleenstaande. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam herzag deze toeslag naar 10%, omdat haar zoon vanaf 28 april 2009 zijn hoofdverblijf in haar woning had en daardoor kon meebetalen aan het huishouden. Tevens werd een terugvordering van teveel betaalde bijstand ingesteld.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar zoon een zelfstandige woning bewoonde en slechts tijdelijk bij haar verbleef vanwege een verbouwing, en dat de feiten omtrent inschrijving en bijstandsdatering onjuist waren weergegeven.
De Raad oordeelde dat de feitelijke woonsituatie leidend is voor het bepalen van het hoofdverblijf, niet de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie. Uit verklaringen en onderzoek bleek dat de zoon zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had. De Raad bevestigde daarom de verlaging van de toeslag en de terugvordering, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandstoeslag van 20% naar 10% wordt bevestigd vanwege het hoofdverblijf van de zoon in de woning van appellante.