ECLI:NL:CRVB:2012:BY1818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en gebruik valse identiteit
Appellanten ontvingen bijstand vanaf 1998, maar uit een strafrechtelijk onderzoek van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) bleek dat appellant mogelijk strafbare feiten had gepleegd door werkzaamheden te verrichten met een valse identiteitskaart en een WW-uitkering te ontvangen zonder dit te melden.
Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. De rechtbank vernietigde aanvankelijk het besluit wegens onvoldoende motivering, waarna het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. De rechtbank vernietigde vervolgens het bestreden besluit deels, met name de terugvordering van het oorspronkelijke bedrag.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant daadwerkelijk de werkzaamheden heeft verricht, ondanks het gebruik van een valse identiteit. De Raad wijst erop dat de bestuursrechter niet gebonden is aan het strafrechterlijk oordeel en bevestigt dat appellant gehouden is aan zijn bekentenis. Ook is appellant verplicht informatie over de bankrekening te verstrekken omdat hij deze heeft geopend en gebruikt.
De Raad laat een laat ingebracht bezwaar over de terugvordering buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde en bevestigt het bestreden besluit voor zover aangevochten. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.