ECLI:NL:CRVB:2012:BY2044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellante was shopmanager bij een werkgever en werd op staande voet ontslagen wegens vijf gedragingen, waaronder het onrechtmatig gebruik van een personeelspas en het overschrijden van de ruilingstermijn bij retouren. Na het ontslag vroeg zij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd vanwege verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat de ontslagreden bepalend is voor verwijtbare werkloosheid. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het UWV een eigen verantwoordelijkheid heeft om te beoordelen of sprake is van verwijtbare werkloosheid, ook buiten de vaststellingsovereenkomst om.
De gedragingen van appellante werden als ernstig beoordeeld, mede omdat zij een voorbeeldfunctie had en recentelijk was gewaarschuwd voor misbruik van personeelspassen. Zowel objectief als subjectief was sprake van een dringende reden voor ontslag. Er waren geen toezeggingen gedaan die een WW-uitkering rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt dan ook verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.