ECLI:NL:CRVB:2012:BY2269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onrechtmatig verblijf
Appellant, met de nationaliteit van [S.], kreeg bijstand toegekend op grond van de WWB vanaf 1 juni 2005. Na een reguliere heronderzoek bleek op 16 januari 2009 dat appellant niet meer over een geldig verblijfsdocument beschikte sinds 27 april 2007. Het college trok daarop de bijstand met ingang van die datum in en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug.
Appellant voerde aan dat hij de gemeente wel had geïnformeerd over zijn verblijfsstatus en dat de inlichtingenverplichting niet op hem van toepassing was sinds een wetswijziging in 2008. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had geïnformeerd en dat de wijziging van artikel 17 WWB Pro hieraan niets afdeed. Verder erkende het college een tekortkoming door niet eerder de verblijfsstatus te controleren, maar matigde de terugvordering voldoende.
Appellant stelde dat terugvordering hem zou beletten een goede start te maken bij een eventueel toekomstig rechtmatig verblijf, maar de Raad vond dit geen reden om af te zien van terugvordering. De bescherming van de beslagvrije voet blijft van toepassing bij invordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.