ECLI:NL:CRVB:2012:BY2969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling leenbijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid bij WWB
Appellante ontving bijstand volgens de WWB van april 2006 tot augustus 2007. In augustus 2006 kwam een termijndeposito vrij, waarvan een groot deel werd overgemaakt aan haar moeder zonder melding aan het college. Het college trok daarop de bijstand in en vorderde terug, omdat appellante beschikte over vermogen boven de vermogensgrens en haar inlichtingenplicht had geschonden.
De rechtbank oordeelde in mei 2010 dat het college niet bevoegd was de bijstand in te trekken omdat appellante het geld onverplicht aan haar moeder had gegeven, maar wel bevoegd was om leenbijstand toe te kennen wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het college verleende daarop leenbijstand over de periode van augustus 2006 tot augustus 2007.
Appellante stelde in hoger beroep dat het college onjuist had gehandeld door de gehele periode om te zetten in leenbijstand en dat een hogere interingsnorm had moeten gelden. De Raad oordeelde dat de rechtbanksuitspraak onherroepelijk is en dat het college binnen zijn beoordelingsvrijheid en vaste gedragslijn is gebleven door een interingsnorm van eenmaal de bijstandsnorm te hanteren.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Het college heeft volgens de Raad de uitspraak van de rechtbank correct uitgevoerd en het hoger beroep slaagt niet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.