ECLI:NL:CRVB:2012:BY3103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opzegging en voorschot WW bij faillissement werkgever
Appellant was in dienst bij een werkgever die op 16 maart 2010 failliet werd verklaard. De curator zegde de arbeidsovereenkomst op 17 maart 2010 op. Het UWV kende een voorschot toe en stelde het tijdvak van overname van loonbetalingsverplichtingen vast van 18 december 2009 tot 18 april 2010.
Appellant maakte bezwaar omdat hij vond dat de opzegging eerder had moeten plaatsvinden, namelijk op 2 maart 2010, toen hij een WW-uitkering aanvroeg. Volgens hem had het UWV rekening moeten houden met de trage behandeling van de faillissementsaanvraag door de rechtbank.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat geen sprake was van onnodig lang wachten met opzegging. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat het UWV geen ruimte had om een andere dag van opzegging dan 17 maart 2010 aan te wijzen, omdat op 2 maart 2010 nog geen sprake was van betalingsonmacht van de werkgever.
De Raad benadrukt dat alleen bij betalingsonmacht en onnodig lang wachten met opzegging het UWV bevoegd is een andere dag van opzegging aan te wijzen. De financiële situatie van de werkgever op 2 maart 2010 was niet zodanig dat dit het geval was. Het bezwaar van appellant wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht 17 maart 2010 als dag van opzegging vastgesteld en het bezwaar van appellant afgewezen.