ECLI:NL:CRVB:2012:BY3159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking aan re-integratietraject
Appellant ontvangt sinds juni 2008 bijstand en is verplicht deel te nemen aan een re-integratietraject. Hij vroeg toestemming voor een korte onderbreking van dit traject voor een stage/werkvakantie in het buitenland, welke werd geweigerd. Ondanks het ontbreken van toestemming vertrok appellant toch.
Het college legde daarop een maatregel op: een verlaging van de bijstand met 40% gedurende een maand wegens het niet tijdig verschijnen en onvoldoende medewerking aan het traject. Appellant voerde aan dat hij bijzondere omstandigheden had, waaronder een medische diagnose en een werkmogelijkheid in het buitenland, en dat hij het traject succesvol had gevolgd.
De Raad oordeelt dat appellant wist dat toestemming ontbrak en onvoldoende heeft onderbouwd waarom toestemming had moeten worden verleend. De medische stukken ondersteunen het belang van het traject juist en leiden niet tot het oordeel dat verwijtbaarheid ontbreekt. De maatregel is passend en proportioneel.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 40% gedurende een maand wegens onvoldoende medewerking aan het re-integratietraject wordt bevestigd.