ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Verblijfsrecht en kinderbijslag voor ouder van EU-burgerkind op grond van artikel 20 VWEU
Appellante, Surinaamse nationaliteit, woont sinds 2007 in Nederland en heeft een kind met de Nederlandse nationaliteit. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), met name het vereiste rechtmatig verblijf.
In hoger beroep stelde appellante dat zij op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een verblijfsrecht ontleent aan het EU-burgerschap van haar kind, waardoor zij recht heeft op kinderbijslag. De Raad volgde deze redenering en stelde dat de Svb eerst moet onderzoeken of appellante daadwerkelijk een verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 VWEU Pro, waarbij het uitgangspunt is dat het kind anders gedwongen zou worden het grondgebied van de Unie te verlaten.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. De Svb werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante. De uitspraak benadrukt de verdragsconforme toepassing van nationale regelgeving in het licht van het Unierecht en het belang van het effectieve genot van rechten van EU-burgers.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit en draagt de Svb op een nieuw besluit te nemen waarbij het verblijfsrecht van appellante op grond van artikel 20 VWEU wordt onderzocht.