ECLI:NL:CRVB:2020:663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap voor kinderbijslag en afwijzing schadevergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit, woonde in Suriname en had een zoon met de Nederlandse nationaliteit die sinds 2003 in Nederland verbleef. Na een conflict met haar moeder in april 2008 verbleef zij op wisselende adressen in Nederland. Pas vanaf februari 2009 kreeg zij het gezag over haar zoon en vanaf juni 2009 vroeg zij een verblijfsvergunning aan, die vanaf september 2009 werd toegekend.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag over de periode van het tweede kwartaal 2008 tot en met het derde kwartaal 2009 omdat appellante op de peildata geen geldige verblijfsvergunning had en niet als ingezetene werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het tweede en derde kwartaal 2009, maar bevestigde dat appellante voorheen geen ingezetene was.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij vanaf april 2008 als ingezetene moest worden aangemerkt vanwege haar intentie om in Nederland te blijven en voor haar zoon te zorgen. De Raad oordeelde dat deze intentie onvoldoende is zonder duurzaam verblijf en andere objectieve factoren. Het ontbreken van een vaste woonruimte en het late aanvragen van een verblijfsvergunning ondersteunen dit oordeel.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Raad werd afgewezen omdat de procedure bij de Raad minder dan twee jaar duurde, wat binnen de redelijke termijn valt. De eerdere schadevergoeding toegekend door de rechtbank voor de overschrijding door de Svb blijft onverminderd van kracht.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op kinderbijslag over het derde kwartaal 2008 tot en met het eerste kwartaal 2009 en het verzoek om schadevergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding wordt afgewezen.