ECLI:NL:CRVB:2012:BY5202

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2727 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 WWArt. 64 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over datum betalingsonmacht werkgever bij faillissement

Appellant was sinds 1 maart 2004 in dienst van de werkgever en ontving vanaf 1 december 2008 geen loon meer. De arbeidsovereenkomst werd op 12 oktober 2009 ontbonden, en de werkgever werd op 13 oktober 2009 failliet verklaard. Appellant vroeg een faillissementsuitkering aan bij het Uwv, dat een voorschot verstrekte met als einddatum 1 november 2009.

Appellant maakte bezwaar tegen de aanname van het Uwv dat de opzegtermijn begon op 1 augustus 2009, stellende dat de betalingsonmacht al op 1 maart 2009 was ingetreden. Het Uwv wees dit bezwaar af, stellende dat de betalingsonmacht pas op 13 oktober 2009 vaststond, ondanks de slechte financiële situatie van de werkgever in de aanloop naar het faillissement.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het Uwv op grond van artikel 64, tweede lid, WW, een eerdere datum had moeten vaststellen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat onvoldoende bewijs was geleverd voor een eerdere betalingsonmacht en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de betalingsonmacht van de werkgever pas op 13 oktober 2009 is ingetreden en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

11/2727 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2011, 10/2978 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 december 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.M. Deiman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2012. Voor appellant is mr. Deiman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was sinds 1 maart 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van (de rechtsvoorganger van) [naam werkgever] ([T.] of werkgever). Vanaf 1 december 2008 heeft appellant geen loon van werkgever meer ontvangen.
1.2. Op 12 oktober 2009 heeft de kantonrechter te Rotterdam de arbeidsovereenkomst tussen appellant en werkgever ontbonden met ingang van 1 november 2009.
1.3. Op 13 oktober 2009 is werkgever in staat van faillissement verklaard. Naar aanleiding van dat faillissement heeft appellant op 4 november 2009 bij het Uwv een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW), een zogenoemde faillissementsuitkering. Bij besluit van 1 december 2009 heeft het Uwv appellant een voorschot op de faillissementsuitkering verstrekt, waarvan de einddatum op 1 november 2009 was gesteld.
1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 december 2009, voor zover er daarbij vanuit is gegaan dat de opzegtermijn is aangevangen op 1 augustus 2009 en geëindigd op 1 november 2009. Bij besluit van 21 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft overwogen dat de betalingsonmacht van de werkgever eerst op 13 oktober 2009 onomstotelijk vast stond. In de aanloop naar die datum waren er overduidelijk financiële problemen en moest de werkgever bij de besteding van de fondsen keuzes maken. Er was echter nog wel geld in kas en er konden keuzes worden gemaakt. Dat appellant niet werd betaald was geen onmacht maar onwil. Er is voor het Uwv dan ook geen aanleiding geweest om een andere datum dan 1 november 2009 aan te nemen als datum voor de beëindiging van het dienstverband.
2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het Uwv gebruik had moeten maken van de in artikel 64, tweede lid, van de WW gegeven bevoegdheid om een moment te bepalen waarop de dienstbetrekking redelijkerwijs had moeten eindigen. Appellant stelt daarbij dat het Uwv 1 maart 2009 als die datum had moeten aanwijzen, omdat toen reeds de betalingsonmacht van werkgever was ingetreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de onderdelen 2.7 en 2.8 van de aangevallen uitspraak.
4.2. Om gebruik te kunnen maken van de in artikel 64, tweede lid, van de WW neergelegde bevoegdheid is, gelet op artikel 61 van Pro de WW, vereist dat de werkgever - kort gezegd - verkeert in een toestand van blijvende onmacht om te betalen. Met de faillietverklaring met ingang van 13 oktober 2009 staat die betalingsonmacht per die datum in ieder geval vast. Appellant heeft onvoldoende gegevens aangedragen die aannemelijk maken dat de betalingsonmacht eerder is ingetreden. Weliswaar was de financiële situatie van de werkgever in de aanloop naar het faillissement slecht, hetgeen onder meer blijkt uit een niet-inbare vordering van ING Bank N.V. op werkgever, maar nog tot in juni 2009 zijn groepen werknemers van [T.] betaald, terwijl ook onweersproken is dat er nog geld in kas was.
4.3. Het Uwv is dan ook terecht uitgegaan van 13 oktober 2009 als het moment waarop de betalingsonmacht van werkgever is ingetreden. Gelet daarop was er voor het Uwv geen mogelijkheid om uit te gaan van de door appellant gevraagde datum, 1 maart 2009, en mist artikel 64, tweede lid, van de WW toepassing.
4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) I.J. Penning