ECLI:NL:CRVB:2012:BY5342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens vrijwillig ontslag zonder dringende reden
Appellante was sinds 1995 werkzaam als medewerker verificatie en heeft op 19 januari 2009 een convenant ondertekend waarin zij verzocht om eervol ontslag per 1 februari 2010. Het UWV kende aanvankelijk een WW-uitkering toe, maar de minister maakte bezwaar en het bezwaar werd gegrond verklaard, waarna de uitkering werd geweigerd omdat het ontslag vrijwillig was genomen zonder dat voortzetting redelijkerwijs niet van appellante kon worden verlangd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat geen bewijs was dat zij onder druk stond bij het ontslag en dat zij zich bewust was van de gevolgen voor de WW-uitkering. In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over arbeidsongeschiktheid en druk vanuit de werkgever, maar kon dit niet onderbouwen met deskundigenverklaringen.
De Raad concludeert dat appellante vrijwillig en weloverwogen heeft ingestemd met het ontslag, dat zij op de hoogte was van de gevolgen voor haar WW-rechten, en dat zij geen juridische hulp werd onthouden. Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen door de werkgever. Voortzetting van het dienstverband kon redelijkerwijs van appellante worden verlangd, waardoor zij verwijtbaar werkloos is geworden en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden door vrijwillig ontslag zonder dringende reden.