ECLI:NL:CRVB:2012:BY5925

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6531 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens geschiktheid eigen werk

Appellant, werkzaam als elektromonteur, meldde zich ziek met klachten na een auto-ongeval en werd op staande voet ontslagen. Hij vroeg een WIA-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde zich op het standpunt dat de medische rapporten en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juiste weergave van zijn arbeidsmogelijkheden gaven.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, met name een urenbeperking, waren onderschat en overhandigde nieuwe medische rapporten. De Raad oordeelde dat deze rapporten betrekking hadden op een later tijdstip dan de beoordelingsdatum en dat het rapport van Offermans onvoldoende bewijs leverde omdat deze arts appellant niet persoonlijk had onderzocht.

De Raad concludeerde dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist was en dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk per 2 maart 2010. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk wordt bevestigd.

Uitspraak

11/6531 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 september 2011, 10/4139 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 12 december 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.J.W.C. Lipman hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting van een enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. den Hartog. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 14 november 2012. Appellant en mr. Lipman zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft zich met duizeligheid- en andere klachten die verband hielden met een auto-ongeval in december 2006 met ingang van 4 maart 2008 ziekgemeld uit zijn werk als elektromonteur bij [naam werkgeefster] (werkgeefster). Werkgeefster heeft appellant op 17 september 2008 op staande voet ontslagen, waarna hij het Uwv mededeling heeft gedaan van het einde van het dienstverband met appellant. Op 12 november 2009 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek en na informatie te hebben ingewonnen bij de behandelend psychiater van appellant heeft het Uwv appellant met ingang van 2 maart 2010 geschikt geacht voor zijn eigen arbeid en voor een aantal gangbare functies op de arbeidsmarkt. Het Uwv heeft bij besluit van 2 juli 2010 vastgesteld dat appellant geen recht had op een Wet WIA-uitkering met ingang van 2 maart 2010, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 12 november 2010 (bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich verenigd met de arbeidsmogelijkheden van appellant zoals die tot uitdrukking zijn gebracht in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Volgens de rechtbank bieden de rapporten van de verzekeringsartsen voldoende steun voor de daarop gebaseerde conclusies. Voor een urenbeperking als door de door appellant geraadpleegde verzekeringsarts H.M.Th. Offermans blijkens diens rapport van 16 augustus 2011 geïndiceerd is geacht, heeft de rechtbank in navolging van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv geen aanleiding gezien, omdat een medisch-objectieve grond daarvoor ontbrak.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep wederom betoogd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat, gezien het rapport van Offermans, een urenbeperking was aangewezen. Appellant heeft in hoger beroep nadere medische stukken overgelegd, waaronder een rapport van psychiater M.L. Timmermans van 23 februari 2012 en een rapport van een psychologisch onderzoek in april-mei 2012 van gezondheidszorgpsycholoog drs. N.A. Aarden-van Delft uit 2012.
3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Evenals de rechtbank en op de door de rechtbank genoemde gronden acht de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit juist. De (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv beschikten over zowel eigen als door appellant overgelegde informatie van de behandelend psychiater, dermatoloog, revalidatie-arts en fysiotherapeut van appellant en over het rapport van Offermans. Op basis van die informatie en hun eigen onderzoeksbevindingen zijn de beperkingen van appellant vastgelegd in de FML van 16 maart 2010. Het door appellant overgelegde rapport van Offermans biedt geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze FML, nu deze arts appellant niet heeft gezien, maar uitsluitend op basis van bestudering van de hem ter beschikking gestelde stukken tot zijn conclusie is gekomen. Zodanige twijfel wordt evenmin opgeroepen door de in 3.1 genoemde rapporten, aangezien die de medische situatie van appellant ten tijde van die rapportages beschrijven, welk tijdstip ongeveer twee jaar na de te beoordelen datum van 2 maart 2010 ligt. Dat de depressieve klachten van appellant door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat is dan ook niet aannemelijk geworden.
4.2. Uit 4.1 volgt dat appellant met ingang van 2 maart 2010 geschikt was voor zijn eigen werk. In hoeverre hij ook geschikt was voor gangbare functies op de arbeidsmarkt behoeft daarom niet meer beoordeeld te worden.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) I.J. Penning
JL