ECLI:NL:CRVB:2012:BY5938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellante ontving een WW-uitkering vanaf 1 januari 2010. Het UWV constateerde dat zij in de periode van 1 juni tot en met 31 juli 2010 onvoldoende sollicitatieactiviteiten had verricht, namelijk slechts twee sollicitaties via de docentenbank. Hierop legde het UWV een maatregel op van 25% verlaging van de uitkering voor vier maanden, later verlaagd naar 15% wegens verminderde verwijtbaarheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij niet aan de sollicitatieplicht had voldaan omdat zij haar sollicitaties niet mocht middelen over meerdere maanden en onvoldoende concrete en verifieerbare sollicitaties had verricht. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij gemiddeld één sollicitatie per week had gedaan, rekening houdend met parttime werk en schoolvakantie, en dat sollicitaties in mei 2010 niet waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de periode van 1 juni tot en met 31 juli 2010 had beoordeeld en dat de sollicitaties in mei buiten de beoordelingsperiode vielen. Er was geen sprake van verwijtbaarheid, maar appellante was wel gehouden gemiddeld één concrete en verifieerbare sollicitatie per week te verrichten. De opgelegde maatregel was conform de wettelijke regelingen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De maatregel verlaging van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.