ECLI:NL:CRVB:2012:BY6588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen wegens vermeende gezamenlijke huishouding afgewezen
Appellant ontving sinds 2005 een AOW-pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Sinds januari 2010 woonde mevrouw K. op hetzelfde adres en ontving een Anw-uitkering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) voerde een onderzoek uit naar een vermeende gezamenlijke huishouding, leidend tot een besluit tot herziening van het pensioen en gedeeltelijke schorsing.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen het herzieningsbesluit ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en onvoldoende bewijs bevat voor een gezamenlijke huishouding. De Raad concludeert dat het besluit van de Svb niet berust op een deugdelijke feitelijke grondslag, omdat de verklaring van K. onvoldoende is en appellant geen verklaring heeft kunnen afleggen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het herzieningsbesluit. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellant. De uitspraak vervangt het vernietigde besluit en bevestigt dat geen gezamenlijke huishouding is vastgesteld.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van het AOW-pensioen wegens vermeende gezamenlijke huishouding wordt vernietigd en herroepen.