ECLI:NL:CRVB:2012:BY6603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 1997 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Dit werd bevestigd door verklaringen van beide partijen en onderzoek van de sociale recherche. Appellante had dit niet gemeld, waardoor zij ten onrechte bijstand ontving.
Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug, waarbij appellant ook hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante het samenwonen, maar de Raad oordeelde dat het hoofdverblijf bepalend is en dat het feitelijke samenwonen bewezen is, ondanks aparte inschrijvingen in de GBA.
De Raad verwierp de argumenten over persoonlijke spullen en verblijf in het buitenland en bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De hoger beroepen faalden, en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat het college bevoegd was de bijstand van appellante terug te vorderen en in te trekken.