ECLI:NL:CRVB:2012:BY6642
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Anw-uitkering en AOW-pensioen na herziening
Appellante ontving vanaf juli 2004 een Anw-uitkering en vanaf januari 2007 een AOW-pensioen voor een ongehuwde. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde de Anw-uitkering per 31 augustus 2005 en herzag het AOW-pensioen over januari tot en met september 2007 naar een gehuwdenpensioen. Vervolgens vorderde de Svb een bedrag van €19.856,46 terug als onterecht ontvangen uitkeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraken deels en gaf de Svb opdracht het terugvorderingsbedrag opnieuw vast te stellen, rekening houdend met de juiste periode en bedragen.
De Svb stelde het terugvorderingsbedrag bij besluit van 17 augustus 2011 vast op €17.623,52. Appellante voerde aan dat de berekening onduidelijk was en mogelijk te hoog, met name over de wijze van brutering en compensatie.
De Raad oordeelde dat de Svb voldoende inzicht had gegeven in de berekening, waarbij is uitgegaan van bruto bedragen. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het bedrag onjuist of te hoog was vastgesteld. De terugbetalingen waar appellante op doelde hebben betrekking op de invordering en niet op de vaststelling van het terugvorderingsbedrag zelf.
Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het terugvorderingsbedrag van €17.623,52 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.