ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en herziening van Anw- en AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een Anw-uitkering en later een AOW-pensioen voor een ongehuwde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde na een onderzoek dat appellante met [T.] een gezamenlijke huishouding voerde en beëindigde de Anw-uitkering en herzag de AOW-uitkering. Tevens werd een bedrag teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat er onvoldoende bewijs is dat [T.] vanaf maart 2007 zijn hoofdverblijf bij appellante had. Voor de periode tot maart 2007 is wel sprake van gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigt daarom de besluiten over de herziening van het AOW-pensioen en de terugvordering voor het deel vanaf april 2007.
De Raad wijst erop dat het onderzoek naar de gezamenlijke huishouding niet onrechtmatig was en dat wederzijdse zorg tussen appellante en [T.] is vastgesteld. De Svb wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten van de Svb worden voor een deel vernietigd met opdracht tot nieuw besluit.