ECLI:NL:CRVB:2012:BY6795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigd betaald ziekengeld zonder schending hoorplicht
Appellante ontving onterecht ziekengeld over de periode van 26 maart 2009 tot en met 18 juli 2010, een bedrag van €17.430,87. Het UWV beëindigde haar uitkering op grond van de Ziektewet en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug. Appellante maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering tot herziening niet-ontvankelijk en het beroep tegen de terugvordering ongegrond.
Appellante stelde dat het UWV niet aan de hoorplicht had voldaan omdat het dossier onvolledig was en toezeggingen niet waren nagekomen. Ook voerde zij aan dat zij door de terugvordering financiële en psychische schade had geleden. De Raad oordeelde dat het UWV aan de hoorplicht had voldaan, mede omdat een hoorzitting had plaatsgevonden waar appellante haar zienswijze naar voren kon brengen.
Verder stelde de Raad vast dat het UWV op grond van artikel 33 ZW Pro gehouden is het onverschuldigd betaalde ziekengeld terug te vorderen, tenzij dringende redenen zich voordoen om daarvan af te zien. De Raad vond geen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die een dringende reden zouden vormen. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.